Geschiedenis van het schaatsen
Schaatsen is het zich voortbewegen op dunne, rechte ijzers
( schaatsen ) over ijs.
Schaatsen kan zowel op natuur – als op kunstijs beoefend worden.
Geschiedenis
De geschiedenis van het schaatsen is in nevelen gehuld en daardoor ook de ontwikkeling van de schaats.
Uit vondsten blijkt dat de mens in de prehistorie al probeerde om ijsvlakten sneller over te steken. Hiervoor gebruikte men schaatsen gemaakt van dierlijke botten. Deze werden geslepen totdat het oppervlak glad genoeg was. Schaatsen was toen nog vooral een kwestie van glijden. De allereerste schaatsen worden daarom glissers genoemd; glis, is een rib of een middenvoetsbeen van een rund, paard of hert. De glissers werden voorzien van gaten en met pezen of palingvellen aan de voet bevestigd.
Archeologen hebben op de bodem van een Zwitsers meer resten van dergelijke schaatsen gevonden, welke gedateerd zijn op ongeveer 3000 jaar voor Christus. Daarnaast werden er gelijksoortige vondsten gedaan in onder meer Rusland, Scandinavië, Nederland, Duitsland en Groot-Brittannië.

Er bestaat een handschrift uit 1180 waarin de secretaris van de Engelse aartsbisschop het winterse Londen beschrijft. Uit dit handschrift blijkt dat er toen in elk geval nog geen gebruik werd gemaakt van met ijzer beslagen schaatsen. Hij schreef namelijk het volgende:
Als de grote plas of moeras is bevroren spelen veel jongelui op het ijs. Sommigen binden botten aan hun voeten en glijden over het ijs zichzelf voortduwend met een kleine puntige stok.

Er is niet veel bekend over de ontwikkeling van schaatsen in de Middeleeuwen.
De tekening “Lidwina’s val “ van Johannes Brugman toont de helige Lidwina van Schiedam met schaatsen aan haar voeten. De houding van de schaatser op de achtergrond doet vermoeden dat er al schaatsen met een ijzeren onderkant werden gebruikt.

Dat er een ontwikkeling is geweest van glijden op botten naar schaatsen op met ijzer beslagen houtjes lijkt vanzelfsprekend.
Ook de verspreiding van de kunst van het schaatsen zelf is onduidelijk. Maar dat de bakermat van het schaatsen in Nederland ligt en dat het vandaar is verspreid naar andere landen wordt algemeen aangenomen. Hoewel ….., in de Scandinavische landen hangt men de theorie aan dat het schaatsen in de 1e eeuw naar Nederland is gebracht door de Vikingen. Hun gewoonte om in de winter plankjes onder de laarzen te bevestigen tegen het wegzakken in de losse,sneeuw zou de Nederlanders op het idee hebben gebracht ermee op ijs te glijden. Uit dit gebruik zouden zowel ski’s als schaatsen zijn voortgekomen.

In de 19e eeuw zijn er drie typen schaatsen ontstaan:
de Hollandse krulschaats, de Zuid-Hollandse baanschaats en de Friese schaats.

De eerste twee werden gebruikt om te zwieren, de laatste was puur voor het hardrijden. Doordat de Friese schaats een scherpe punt had ontstonden er gevaarlijke situaties, waarna als gevolg van diverse verboden een krul aan de voorkant van het ijzer werd toegevoegd. Hierdoor werden de ijzers steeds langer, wat meer stabiliteit en dus een langere slag opleverde. Dit droeg bij aan de populariteit van dit schaatstype dat men Friese doorloper ging noemen.
Rond 1800 werden er al, met name in Friesland en Groningen kortebaanwedstrijden verreden. Hier was goed geld mee te verdienen.
Op 1882 werd de Koninklijke Nederlandsche Schaatsenrijders Bond (KNSB) opgericht als overkoepelende organisatie voor het schaatsen. Tegenwoordig zijn het lange – en kortebaan – schaatsen, shorttrack, kunstrijden, marathonschaatsen, schoonrijden, skaten en toerschaatsen vertegenwoordigd bij de KNSB.
In 1892 werd in Scheveningen besloten tot de oprichting van de Internationale Schaatsunie (ISU). Deze organisatie voldeed aan de behoefte aan internationale regels. Tijdens het eerste officiële wereldkampioenschap in 1893 werd Jaap Eden de eerste wereldkampioen hardrijden op de schaats. Drie jaar later volgen er ook wereldkampioenschappen kunstschaatsen. Pas in 1981 volgde shorttrack als derde discipline met een eigen WK.
|